Mijn naam is Mario

Mijn naam is Mario. Ik ben 48 jaar oud, alleenstaand en van Italiaanse komaf. Ik ben loodgieter van beroep en in mijn vrije tijd spring ik graag op en neer. Dat vind ik fijn, want dan schuurt mijn blauwe tuinbroek zo lekker over mijn tepels. Bovendien kan ik best goed springen al zeg ik het zelf. Ik had eigenlijk de eerste prijs op het NK fierljeppen moeten winnen maar helaas werd ik gediskwalificeerd omdat ik weigerde een stok te gebruiken. Dat is tegen mijn principes. Mensen die hulpmiddelen nodig hebben om te springen vind ik een beetje gay. Veel mensen denken trouwens dat ik ook een beetje gay ben. Misschien komt dat door mijn zorgvuldig gestylede snor, maar het zou ook kunnen omdat ik verzot ben op pijpen. Van groene pijpen hou ik het meest.

Ik smul ervan om in zo’n lekkere warme pijp te kruipen. Misschien komt dit door mijn jeugd. Mijn vader sloeg me altijd als ik mijn paddestoelen niet op at en dan verstopte ik me soms dagenlang in een groene pijp in de kelder terwijl hij met een grote zwarte hamer achter me aanzat. Mijn beste vrienden zijn trouwens wel allemaal mannen nu ik erover nadenk. Mijn allerbeste maatje is een kleinde pratende paddestoel met voeten genaamd Kees. Ik noem hem echter gekscherend “Toad” omdat hij ooit juridisch vervolgd is voor verkrachting van een kikker. Daar moet ik het trouwens toch nog eens met hem over hebben. Mijn broertje Luigi is een beetje een eikel. Waarschijnlijk omdat hij geestelijk niet helemaal in orde is. Hij is zwakzinnig en heeft de ziekte van Franzlheins, wat inhoudt dat hij ervan overtuigt is dat hij in het verkeerde lichaam geboren is en eigenlijk mij had moeten zijn. Nu is hij boos omdat ik volgens hem zijn rechtmatige lichaam heb. Hij is van mening dat hij ook van springen en groene tunnels houdt, maar dat is natuurlijk onzin. Vroeger hield hij namelijk altijd van waterfietsen en blauwe pijpen, en zulke passies leer je nou eenmaal niet zo snel af. Nu achtervolgt hij me overal en koopt hij altijd precies dezelfde kleren als ik. Die kleren verf ik dan maar groen omdat ik niet wil dat mensen mij gaan verwarren met die zwakzinnige randdebiel. Dit lukt niet altijd. Mensen associeren mij altijd met Luigi en dus ontwijken mensen mij altijd een beetje. Hierdoor is het voor mij erg moeilijk om nieuwe sociale contacten op te doen. Als mensen tegen mij praten krijg ik het benauwd en moet ik mijn uiterste best doen om van de zenuwen niet op hun hoofd te springen. Mijn psychiater zegt dat dit vanzelf wel minder wordt als ik wat ouder ben. Ik hoop maar dat hij gelijk heeft want ik heb nu al drie keer vastgezeten voor ernstige mishandeling en verstoring van de openbare orde. Ik heb trouwens ook nog ooit een nachtje moeten zitten voor brandstichting omdat het me na het eten van een rare bloem een goed idee leek om met vuurballen te gaan gooien. Ook al voelde ik mij best in mijn element als pyromario, de volgende keer check ik toch eerst maar even op wikipedia voordat ik vreemde vegetatie in mijn besnorde mond stop.

Veel mensen noemen mij Super, maar ik denk dat dit een misvatting is. Ik zie mijzelf meer als een gematigde, bescheiden en vooral doorsnee jongen. Met carnaval verkleed ik mij om misverstanden te voorkomen dan ook altijd als Medium Mario. Als ik dan eenmaal in de stemming ben ga ik daar vol goede moed in mijn nét iets te strakke tuinbroek achter de vrouwtjes aan. Ik hou het meest van sletterige tiepjes in roze jurkjes, als het effe kan van koninklijke komaf. Als ik dan zo’n lekkere prinses zie grijp ik na een een paar biertjes mijn vuurballen bij elkaar en stap ik er met elegante sprongetjes op af. Meestal zonder succes. Ik weet niet precies waarom, maar de vrouwtjes vinden mij nooit zo aantrekkelijk. Aan mijn versierpogingen kan het in elk geval niet liggen. Ik open het gesprek altijd met de briljante openingszin “it-sa mie, maaario” om vervolgens een paar keer op mijn allerhitsigst op en neer te springen. Als ze dan nog niet beginnen te soppen drogeer ik ze altijd netjes door een fikse paddo in hun mond te stoppen. Vervolgens sleur ik ze door een aantal groene pijpen mee naar mijn kasteel waar ik dan vol trots mijn grote vlag hijs. Op mijn vlag staat een mooie rode letter M, van mokkel. Maar voordat ik ook maar één gouden sterretje te zien krijg komt er altijd weer zo’n abnormaal grote schildpad langs die mijn chick dan van me steelt. Dat vind ik vervelend, hij moest gewoon eens zijn eigen materiaal scoren. Een enkele keer ga ik achter die schildpad aan, maar meestal ga ik gewoon terug naar de kroeg om het tevergeefs opnieuw te proberen. Herhaaldelijk falen is echter lang niet best voor mijn zelfvertrouwen waardoor ik de laatste tijd een beetje angstig wordt in het bijzijn van mensen. Het is zelfs zo erg dat ik tegenwoordig mijn huis eigenlijk nooit meer uitkom. Zelfs niet als mijn baas belt om te vragen waarom ik niet gewoon lood aan het gieten ben zoals afgesproken. Het kan me niet zoveel meer schelen en uit moedeloosheid grijp ik steeds vaker naar de paddo om even lekker ontsnappen uit die gekke werkelijkheid. Na elke portie krijg ik last van grootheidswaanzin en begin ik als een malle met mijn kop tegen het plafond te springen. Als ik eindelijk een keertje niet aan het trippen ben doorzoek ik continu het hele huis op zoek naar glimmende muntjes voor een nieuwe paddestoel. Mijn leven is vrij uitzichtloos, maar helaas mislukken mijn zelfmoordpogingen altijd omdat ik op de een of andere manier telkens weer opnieuw begin. Hoe vaak ik ook van een flat spring, na een blij deuntje sta ik telkens weer bovenaan die richel. Fucking extra levens, ik had gewoon van die 1-up paddo’s af moeten blijven maar die vervloekte dealer zei dat ze goed voor me waren. Bah. Nu leef ik in mijn eigen wereldje, mijn eigen ‘supere’ Mario wereld. Maar zo super is die wereld niet. Altijd hetzelfde liedje, altijd die stressvolle tijdslimiet, iedereen zit achter je aan… je kan tegenwoordig geen pijp meer inkruipen of er zit een bijtende plant in. Voor mij hoeft het zo allemaal niet meer en heeft het spelletje wel weer lang genoeg geduurt. Was ik maar gewoon pizzabakker geworden…