Jean-Claude van Damme schrijft boek over Einstein

Jean-Claude Camille François Van Varenberg (beter bekend als Jean-Claude van Damme) heeft zowaar een boek geschreven over Albert Einstein. Het was al langer bekend dat de Belgische acteur een nieuwe weg in wilde slaan met zijn carrière, maar deze stap komt voor veel filmkenners met kennis van films als een grote verrassing. Toch zagen veel literatuurkenners met kennis van literatuur dit werk al van heinde en verre aankomen. Volgens hen zal het niet de eerste keer zijn dat een vechtlustige Belg onverwachts naar de pen grijpt om koste wat kost in de schijnwerpers te komen staan. In de praktijk gaan vechten en schrijven echter lang niet altijd hand in hand, zoals de autobiografie Life part one van Regilio Tuur ons helaas pijnlijk doet herinneren. Desalniettemin bestormt Van Damme alle hitlijsten met zijn literaire debuutroman. Hoog tijd dus om deze kaskraker eens grondig tegen het licht te houden.

Jammer genoeg komt het boek wat moeizaam op gang. In de eerste hoofdstukken beschrijft Van Damme vooral zijn gemakkelijke jeugd, de fijne relatie met zijn ouders en de overeenkomsten tussen zijn spierballen en de diameter van een knolselderij. Na deze moeizame start begint het boek halverwege hoofdstuk 4 pas echt spannend te worden als het karakter Albert Einstein zijn intrede doet. Slechts twaalf hoofdstukken heeft Van Damme nodig om prachtig uiteen te zetten hoe de revolutionaire doorbraken van Einstein zijn pet helemaal te boven gaan. Hierin schuwt Van Damme niets. Van de algemene relativiteitstheorie tot de imaginaire variantie tussen modulaire lichtsnelheden in de vierde dimensie; Van Damme snapt er overduidelijk geen hol van en deinst er niet voor terug om dit aan de grote klok te hangen. Zo af en toe weet dit boek de emoties te raken, vooral op de momenten dat Van Damme beschrijft hoe hij in zijn jongere jaren altijd in tranen uitbarstte als op zijn slaapkamertje maar niet kon bevatten hoe fotonen de dualiteit van golven en deeltjes in kritische opalescentie konden doorbreken. Als lezer voel je de intellectuele onmacht van Van Damme, en dat weet keer op keer te raken.

Tegen het einde van het boek krijgt het verhaal helaas een ietwat agressief tintje. Het lijkt erop dat Jean-Claude tijdens het schrijven af en toe moeite heeft gehad om zijn emoties in bedwang te houden. Waar hij zichzelf in de eerste helft van het boek nog weet te beperken tot een paar hatelijke voetnoten, schuwt hij er niet voor om tegen de ontknoping van zijn werk open en bloot te vertellen hoe hij Einstein wel niet helemaal aan gort zou trappen als hij verdomme ooit maar eens de kans zou krijgen. Jammer en onnodig, want hiermee doorbreekt hij alle literaire conventies van de moderne stijl toch wel een beetje. Het zal niet de eerste keer zijn dat een schrijver enige grootheidswaanzin door laat schemeren in zijn werk, maar citaten als “die vent kan de klere krijgen met zijn fucking pleuristheorie”  (p.214) of “hij mag dan wel slim zijn, maar wedden dat ik 'm in twee klappen tegen de vlakte werk” (p.417) zijn toch een beetje doordrenkt van een normerende bias die toch enigszins afdoet aan de doorgaans neutrale positioneringen van andere moderne schrijvers met een literaire achtergrond in de sportschool.

Ondanks deze kleine misstappen is dit boek toch een absolute aanrader te noemen. Het is interessant om te zien hoe het open einde de lezer achterlaat met de meest uiteenlopende filosofische vragen. Hoe is het bijvoorbeeld toch mogelijk dat Jean-Claude nog leeft, terwijl Albert Einstein al geruime tijd ononderbroken dood is? Zou het kunnen dat de verwensingen van Van Damme in zijn jeugd toch een effect hebben gehad op het lichamelijke gestel van de Duits-Zwitsers-Amerikaanse natuurkundige? Is het waar dat Einstein geen schijn van kans maakt als hij in de ring oog in oog zou komen te staan met Van Damme, of zou Einstein het hem onverwachts toch nog verrekte lastig kunnen maken door tegen alle verhoudingen in spontaan een fundamentele fluctatie-dissipatiestelling in te nemen? Dergelijke vragen laten de lezer achter met een overweldigend gevoel van nietigheid, en dat is iets dat je tegenwoordig niet vaak meer ziet in boeken van beginnende schrijvers. 

Het mag best gezegd worden: dit boek is een juweeltje. Van Damme weet intens te verrassen met zijn debuut en schenkt daarmee verplichte kost voor iedereen met een zwak voor de zacht-literaire potpourri van brute vechtsport en complex theoretische materie. Wij kunnen in elk geval niet wachten op het vervolg, dat gepland staat voor ergens in de loop van dit najaar. Hierin zal Van Damme het voornamelijk hebben over het volume van zijn triceps in ontspannen toestand en zijn onbeheersbare afkeer tegen de actieve geweldloosheid als middel voor revolutie door Mahatma Ghandi. Typisch een boek om naar uit te kijken.